Auteur: admin

Wol en milieu

 

“Geitenwollensokken slecht voor milieu”, stond in 2016 boven een artikel op de website van Milieu Centraal, een organisatie die consumenten adviseert over duurzaamheid. Kleding van zijde en wol zou “de slechtste keuze voor het milieu” zijn. Daarbij wordt verwezen naar een onderzoek door CE Delft naar naar de duurzaamheid van verschillende textielvezels.

Na lezing van het rapport blijkt echter dat de conclusies die Milieu Centraal (MC) trekt, nogal kort door de bocht zijn. Zo kort zelfs, dat de consument hier op het verkeerde been lijkt te worden gezet. Een kleine nuancering is in elk geval op zijn plaats.

Waar gaat het om?

In het onderzoek van CE Delft wordt de duurzaamheid van uiteenlopende textielmaterialen onderzocht. De processen die doorlopen worden om van een bepaalde grondstof een geweven of gebreid doek te maken, worden daarbij onder de loep genomen waarbij met name wordt gekeken naar de milieu-impact. Vervolgens wordt dat voor zover mogelijk vergeleken met de productie van doek dat is gemaakt uit andere grondstoffen.

Het maken van zo’n Life Cycle Analysis (LCA) is een ingewikkelde kwestie. Soms gaat het over vrij eenvoudig met elkaar te vergelijken factoren als energie- of waterverbruik: hoeveel water of energie wordt er gebruikt voor de productie van 1 kilo stof? Maar het wordt al lastiger als aan die factoren een waarde wordt toegekend. Wat telt zwaarder? Waterverbruik of CO2 uitstoot? En het wordt nóg lastiger als ook minder grijpbare factoren worden meegeteld, zoals dierenleed. Om al die uiteenlopende factoren toch te kunnen samenbrengen in één geheel, zijn verschillende rekenmodellen ontwikkeld die echter allemaal eigen accenten zetten.

Wol scoort slecht in dit, maar ook in enkele andere onderzoeken naar duurzaamheid. Dat komt met name door twee factoren:  methaanuitstoot (door de boeren en scheten die de schapen laten) en vooral door landgebruik.

Biodiversiteit

Landgebruik is in elke LCA een belangrijke parameter, onder meer omdat intensieve landbouw ten koste gaat van de biodiversiteit, maar ook omdat dit land mogelijk gebruikt zou kunnen worden voor akkerbouw. Hoe zwaar de factor ‘landgebruik’ moet meewegen, is weer een ander verhaal. In de methode die door de Delftse onderzoekers werd gebruikt, telt het in ieder geval zwaar mee.

Wol en het land dat nodig is om schapen te houden, zijn echter moeilijk in te schatten factoren. Er bestaan behoorlijk wat onzekerheden over de exacte impact van wolproductie. Dat komt onder andere omdat de schapenteelt in gebieden als de Schotse Highlands, de Fäeraoer, of delen van Patagonië of Australië op een ‘natuurlijke wijze’ gebeurt. Schapenteelt gaat daar niet ten koste van de biodiversiteit, en de natuurlijke gesteldheid van die streken maakt akkerbouw vaak moeilijk, duur of zelfs onmogelijk. Vaak worden in deze ruige gebieden juist schapen gehouden, omdat het land weinig andere mogelijkheden biedt. Andere onderzoekers denken zelfs dat schapenteelt in droge gebieden kan bijdragen aan het opnieuw vruchtbaar maken van de grond.

Met andere woorden: de wol komt uit heel verschillende gebieden en de manieren waarop schapen worden gehouden, lopen vaak sterk uiteen. Deze uiteenlopende situaties maken het lastig is om de ‘duurzaamheid’ van wolproductie goed in te schalen.

Nog een ander punt is dat als landgebruik zwaar meetelt, wol dus hoger zou scoren in een LCA als er meer dieren op hetzelfde oppervlak zouden worden gehouden. Met andere woorden: als schapen gehouden zouden worden op een manier die in de richting gaat van de bio-industrie, dan zou de factor landgebruik in elke LCA minder belangrijk worden. Alleen gaat dan ongetwijfeld de factor ‘dierenleed’ weer een grotere rol spelen.

Hoe dan ook: landgebruik koppelen aan de duurzaamheid van wol, is door alle verschillen in bodemgesteldheid en manier van veeteelt, niet zo eenvoudig.

Doek is geen kleding

Onder verwijzing naar het onderzoek van CE Delft schrijft MC dat kleding van wol en zijde de slechtste keuze voor het milieu is. In het onderzoek van CE Delft wordt die conclusie echter niet getrokken. Kan ook niet, want dit onderzoek betreft nadrukkelijk de ‘doekproductie’. Dat betekent dus de productie van gebreid of geweven doek, waarvan vervolgens kleding wordt gemaakt. In het rapport wordt beklemtoond dat het gebruik en de afdanking van kleding niet in het onderzoek worden betrokken: “Stappen die specifiek zijn voor het textielproduct (naaien, gebruik en afdanking) vallen buiten de scope”.

Toch heeft MC het in zijn advies naar de consument niet over doek, maar over kleding. En ook al bestaat er natuurlijk een niet te ontkennen relatie: kleding en doek zijn toch écht twee verschillende zaken. MC doet aanbevelingen over de duurzaamheid van kleding, maar baseert zich daarbij op slechts een gedeelte van de levenscyclus.

Overigens worden de ‘geitenwollen sokken’ die in de kop boven het artikel van MC worden opgevoerd, niet geconfectioneerd uit gebreid doek, maar direct van garen geproduceerd op speciale rondbreimachines.

Foto: Woolmark.com

In het onderzoek van CE Delft wordt enkel gekeken naar de milieu-impact van de doekproductie. Maar hoe belangrijk is de impact van de doekproductie in de gehele levenscyclus van een kledingstuk?
Ook daarover zijn er verschillende opvattingen. MC houdt het op 60-70%.  Dat zou betekenen dat 30-40% van de milieu-impact plaatsheeft tijdens de gebruiksfase en de ‘end of life’ fase van een kledingstuk.

In een LCA die het Franse onderzoeksbureau Bio Intelligence Service (onderdeel van Deloitte) maakte van een linnen shirt, werd de impact van doekproductie daarentegen geschat op iets meer dan 20 procent. Bijna 80 procent van de milieu-impact wordt volgens dit onderzoek gegenereerd tijdens de ‘gebruiksfase’ van het shirt zelf, meer in het bijzonder door wassen en strijken.

Misschien is ook daar best iets op af te dingen, maar het onderstreept wel dat doekproductie maar een deel van het verhaal is: doek is geen kleding.

Kleding van wol

Overigens zou wol juist in die gebruiksfase, dus als kledingstuk wel eens heel goed kunnen scoren.

– wol is een ‘zelfreinigend’ materiaal. Kleding van wol hoeft minder vaak gewassen te worden dan katoen of kleding van synthetische materialen. Regelmatig luchten is vaak voldoende om een wollen kledingstuk weer fris te krijgen. Denk daarbij met name aan artikelen die we nadrukkelijk met wol associëren: truien, vesten e.d.

– als het nodig is om wollen artikelen te wassen, gebeurt dit op een lage temperatuur

– wollen kledingstukken hoeven doorgaans niet gestreken te worden.

Volgens Bio Intelligence Service zijn wassen en strijken juist twee processen die een LCA een bepaalde richting kunnen opsturen.

Tot slot: de duurzaamheid van kleding wordt niet alleen bepaald door het productieproces en de gebruiksfase maar ook door de ‘end of life’ fase. Dat wordt door CE Delft niet onderzocht, en ‘dus’ ook door Milieu Centraal niet meegerekend in zijn advies aan de consument. Echter: ook daar scoort de natuurvezel wol ongetwijfeld hoger dan bijvoorbeeld synthetische vezels.

 

Wat moet je hier nou mee als consument? Als we bellen met de projectleider van Milieu Centraal en haar onze punten voorleggen, komt er verrassend weinig weerwoord. “Maar we zeggen ook niet dat je geen kleding van wol moet kopen. Ons belangrijkste advies is eigenlijk dat mensen langer met hun kleding moeten proberen te doen. We zijn vooral kritisch op het modecircus dat zo vaak met nieuwe collecties komt.”

Kijk, daar zijn we het nou helemaal mee eens.

Wede, de koningin van de verfplanten

Vóórdat in de negentiende eeuw de synthetische kleurstoffen werden uitgevonden, werd textiel uitsluitend geverfd met natuurlijke kleurstoffen. Soms waren die van dierlijke oorsprong, waarbij je onder andere kan denken aan de afscheiding van bepaalde slakkensoorten, maar meestal werd er geverfd met plantaardige verfstoffen.

Veel planten geven op de een of andere manier kleur af, maar dat maakt nog lang niet dat ze allemaal even geschikt zijn om mee te verven. Het hangt er allemaal van af hoe diep de kleurstof in de vezel weet door te dringen, en hoe goed de kleur houdt onder invloed van water en licht.

In de Middeleeuwen werd er met allerlei planten geverfd, maar slechts drie planten werden echt geschikt geacht om er kostbare stoffen mee te verven: wede (voor blauw), meekrap (rood) en wouw (geel). Andere kleurstoffen, die bijvoorbeeld werden gewonnen uit galappels en bessen, werden gekwalificeerd als minderwaardig en niet geschikt voor het echte verfambacht. Het onderscheid kwam onder andere tot uitdrukking in de namen die er voor de verschillende soorten kleurstoffen werden gebruikt: in Frankrijk werd gesproken van de Grand- en de Petit Teint, waarbij de Grand Teint werd beoefend door de ververs die werkten met wede, meekrap of wouw en waarvan de stoffen die ze verfden vaak bedoeld waren voor de boven-lokale of zelfs internationale handel. De Petit Teint was een kleinschalig gebeuren, iets voor de boeren die hun eigen kleding verfden. In de Duitse landen werd wel gesproken van ‘Schlechtfärber’.

Wedeteelt in Thüringen, in beeld gebracht in een boek uit de 18de eeuw. Op de achtergrond de wedevelde en de droogrekken met wedeballen, op de voorgrond een wedemolen.

Middeleeuwse wolnijverheid

Textiel wordt al duizenden jaren geverfd, maar vanaf de twaalfde eeuw is er een enorme uitbreiding. Dat had ongetwijfeld te maken met de enorme vlucht die de wolnijverheid in die tijd nam. Mede door de introductie van het horizontale weefgetouw in West-Europa (eerst in Noord-West Frankrijk, daarna in Vlaanderen) groeide de wolnijverheid enorm en werden wollen doeken van hoge kwaliteit gemaakt voor de internationale handel. Dit waren de beroemde ‘lakense stoffen’ waar steden als Gent internationale vermaardheid mee verwierven.

In de buurt van deze ‘wolsteden’ begonnen boeren al in de dertiende eeuw op grote schaal verfplanten te telen, waarvan de verfstoffen gemaakt konden worden. De Vlaamse en Noord-Franse wolindustrie werd van blauwe kleurstof voorzien door de wedeteelt in de buurt van Amiens (Noord-Frankrijk) en Henegouwen. Ook ten noorden van Keulen (destijds de grootste stad van Duitsland met een grote wolindustrie) werd wede geteelt, evenals rond Erfurt in Thüringen (Oost-Duitsland). Later kwamen daar de streek rond Toulouse en Lombardije (Italië) bij.

Met de wedehandel werden fortuinen gemaakt. Zo werd de schitterende kathedraal van Amiens voor een belangrijk deel bekostigd door vermogende wedehandelaren. Op de zuidwand van de kathedraal zijn nu nog twee wedehandelaren afgebeeld. In Erfurt werd de universiteit gesticht met kapitaal dat was vergaard in de wedehandel. In Toulouse en steden als Albi zijn nu nog steeds de schitterende woonhuizen te zien van vermogende wedehandelaren uit de zestiende eeuw.

Tijdrovend proces

De bereiding van de verfstof uit wede (Latijn: Isatis Tinctoria) was een ingewikkeld en tijdrovend proces. De kleurstof (indigo) bevindt zich in de bladeren, die afhankelijk van het klimaat twee tot zeven keer per jaar werden geoogst. Binnen enkele uren na de oogst werden de bladeren verpulpt in een wedemolen. Van deze pasta (in de Provence sprak men van ‘pastel’) werden ballen gevormd, ongeveer zo groot als een tennisbal die aan de lucht werden gedroogd op houten rekken.

Beelden van wedekoopmannen op een buitenmuur van de kathedraal in Amiens. Tussen hun in staat een zak met wedeballen.

Met deze gedroogde wedeballen, die gemakkelijk konden worden bewaard en over grote afstanden worden vervoerd, werd handel gedreven. In het Frans noemde men die wedeballen ‘coques’ of ‘cocagnes’. In de Provence wordt daarom wel verondersteld dat de term ‘land van Cocagne’, waarmee een soort luilekkerland wordt bedoeld waarin er van alles genoeg is, te maken heeft met de rijkdom die de wedehandel bracht.

De wedeballen waren echter nog maar een halffabrikaat. In een volgende fase werden de ballen stukgeslagen en opnieuw bevochtigd met water. Dit bracht een gistingsproces op gang waarbij de temperatuur van de wede steeg, net zoals dat ook bij mest gebeurt. Het zou trouwens ook net zo hebben gestonken: om die reden verbood de Engelse koningin Elisabeth I de wedeproductie in de buurt van plaatsen waar zij verbleef.

Zodra de temperatuur begon te dalen, werden er opnieuw wedeballetjes van gekneed, en daarin vormde zich een soort granulaat: een harde, korrelige substantie. Dit was de verfstof die de ververs gebruikten.

Oude urine

Een probleem was dat het wede-granulaat niet oplosbaar is in water, terwijl het dat natuurlijk wel moet zijn om in de textielvezels te kunnen doordringen. Daarom moesten er stoffen aan worden toegevoegd. Jarenlang werd daarvoor vooral oude urine gebruikt, later potas. Zo kon het dus gebeuren dat er een grote vraag ontstond naar urine, en dat ook die weer werd verkocht. In Toulouse en in andere wedesteden werden met name soldaten aangespoord om hun urine niet te verkwisten maar te verkopen.

Al met al was de productie van kleurstof uit wede dus een lang en moeilijk proces, waarbij er tussen oogst van de blaadjes en de bereiding van het verfbad vaak meer dan een jaar verstreek. Het recept dat bepaalde hoeveel wede, urine/potas en andere middelen werden toegevoegd aan het verfbad was een geheim dat de ververs zorgvuldig bewaarden.

Wede is nog tot in de negentiende eeuw gebruikt in de verfbaden, en tot in de 20e eeuw waren er wedemolens actief in Thuringen en in Engeland. Het belang van de wede als verfplant is sinds de zestiende eeuw echter steeds kleiner geworden: steeds meer werd er door de textielververs gebruik gemaakt van de indigo uit Indië, die door de grote ontdekkingen en de toegenomen scheepvaart steeds meer beschikbaar kwam.

De laatste jaren is er sprake van een herwaardering van de wede, de ‘koningin van de verfstoffen’. Dat heeft niet alleen te maken met historische interesse, maar ook met hernieuwbaarheid en afbreekbaarheid van plantaardige verfstoffen. Dat wede een inheemse plant is, in tegenstelling tot de exotische indigo, zal eveneens een rol spelen.

Fraaie resultaten

Daarnaast zijn de fraaie resultaten die met plantaardige verfstoffen worden geboekt onmogelijk te bereiken met synthetische verfstoffen. De professionele ververs die wij erover spraken en die bekend zijn met zowel synthetisch- als natuurlijk verven zeggen allemaal hetzelfde: de kleuren die met plantaardige verfstoffen worden bereikt zijn veel ‘rijker’ dan de ‘vlakkere’ synthetische kleuren.

Dat komt omdat in planten altijd meer kleuren aanwezig zijn dan de kleur die uiteindelijk de boventoon voert. In wede is het blauw dus toonaangevend, maar daarnaast zitten er ook altijd andere kleurtonen in. Het blauw van bijvoorbeeld wede is als het ware opgebouwd uit meerdere kleurlagen, een synthetische kleur blauw uit slechts één laag.

De wedeverfstof wordt tegenwoordig niet meer op de middeleeuwse manier bereid, maar natuurlijk moeten er nog steeds blaadjes voor worden geoogst. Om genoeg verfstof te kunnen maken, moeten er ook genoeg blaadjes te plukken zijn en dus ook genoeg boeren die bereid zijn om wede op hun akkers te zetten. Boeren zijn daar alleen toe bereid als ze voor zo’n ‘raar’ product een gegarandeerde afzet vinden.

Niet zo vreemd dus dat de weinige ververs die nog met wede kunnen verven, soms eenvoudigweg niets kunnen omdat de grondstoffen ontbreken. Als bijvoorbeeld de wede-oogst is mislukt of als er te weinig is ingezaaid.

Toch zijn we samen met de ontwerpers van Raw Color begonnen aan een project waarbij we dunne wollen stoffen plantaardig hebben laten verven: met de oude hooggewaardeerde verfstoffen van de ‘Grand Teint’, wede, meekrap en wouw. De resultaten kan je <HIER> bekijken.

Biologische wol

Ondanks dat hier bijna een miljoen schapen in de wei lopen, stelt Nederland niet veel voor als het gaat over wolproductie: onze schapen dienen vooral de vlees- en zuivelindustrie. Dan Australië: wereldwijd wordt er volgens de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties ongeveer 2,1 miljoen ton wol geproduceerd, waarvan de Australiërs ongeveer 20 procent voor hun rekening nemen. Slechts een piepklein gedeelte van die enorme wolberg, ongeveer 1,5 procent van de totale productie, zou biologische wol zijn.

Een paar jaar geleden werd er in de mode-industrie nog vreemd opgekeken als het ging over biologische wol. “Bestaat helemaal niet,” werd er door sommige ontwerpers zelfs gezegd. Ondanks het kleine aandeel op de wereldmarkt, is biologische wol binnen enkele jaren toch een stuk bekender geworden.

Wat is biologische wol?

Biologische wol verwijst op de eerste plaats naar het boerenbedrijf, de manier waarop de schapen worden gehouden. Biologische veehouderij zet in op een gezonder systeem dat meer in balans is met de natuur. Dit betekent dat de schapen niet worden behandeld met insecticiden en pesticiden, dat ze beschikken over ruime weides die eveneens op biologische wijze worden onderhouden, dat ze niet worden bijgevoerd met genetisch gemodificeerd voer.

Nadat de schapen zijn geschoren, wordt de conventionele wol vaak nog eens bewerkt met insecticiden, bijvoorbeeld tegen motten. Vaak bevatten die bestrijdingsmiddelen de gifstof permethrin. In biologische wol is hiervan geen sprake.

Volgens de Britse Organic Soil Association is het belangrijkste verschil dat in de biologische schapenhouderij geen preventief gebruik van antibiotica plaatsvindt, iets dat in de conventionele veeteelt heel gebruikelijk is. Schapen worden bijvoorbeeld zeer regelmatig ontwormd (in bepaalde omstandigheden elke vier tot zes weken) ook als ze geen wormen hebben.

In de biologische veehouderij wordt daarentegen geprobeerd om ziektes met een holistische aanpak onder controle te houden, bijvoorbeeld door de schapen in rotatie met runderen te laten grazen. Hierdoor zijn zowel voor runderen als schapen verschillende grassoorten beschikbaar, met als gevolg een gevarieerder dieet en gezondere, minder voor ziektes vatvare dieren.

Eerste stap

Toch is biologische schapenhouderij pas de eerste stap in de richting van een kledingstuk dat kan worden gecertificeerd als biologisch. Dat komt omdat de wol in de verdere productiestadia nog allerlei bewerkingen moet ondergaan voordat er iets van kan worden gebreid of geweven. In de conventionele industrie wordt daarbij vaak gebruik gemaakt van zwaar vervuilende methodes.

Om te beginnen moet de wol worden gewassen. Ongewassen ‘vette’ wol bevat naast vuil en plantaardige resten die in de schapenvacht blijft zitten, een aanzienlijke hoeveelheid ‘wolvet’.

Een machine om wol te kaarden (kammen). De gewassen en geverfde wol wordt getransporteerd over walsen met hele fijne tandjes die de wol uiteentrekken totdat er een mooi en gelijkmatig vlies ontstaat. Dat vlies is het basismateriaal waarmee gevilt wordt.

Om schone wol te krijgen moet deze daarom worden gewassen en ontvet. In de traditionele wasserijen worden niet alleen enorme hoeveelheden water gebruikt maar ook vervuilende en gezondheidsbedreigende oplosmiddelen die daarom in veel westerse landen verboden zijn. Natuurlijk zijn er duurzamere manieren om de wol te ontvetten, zoals bijvoorbeeld het werken in gesloten systemen, maar een groot gedeelte van de industrie heeft een gemakkelijker weg gekozen en dit deel van de productie verplaatst naar landen waar wat minder zorgvuldig met milieunormen wordt omgesprongen.

De bedrijven die wel in het westen blijven produceren, moeten natuurlijk aan milieu-eisen voldoen. Maar heel veel chemische middelen die wél mogen worden toegepast in de conventionele verwerking van wol, zijn in strijd met het begrip ‘bio’.

Dat is bijvoorbeeld het geval met een volgende stap in de conventionele verwerking van wol, het ‘chloreren’. Als je een wolvezel onder de microscoop zou bekijken, zou je zien dat deze eigenlijk bestaat uit over elkaar heen grijpende schubben. De grootte en de vorm van deze schubben zijn van invloed op hoe de wol aanvoelt, of hij zacht of hard is en of hij kriebelt of niet. Door de wol te bewerken met chloor worden de schubben als het ware afgevlakt. Bovendien wordt de wol in dat proces ook krimpvrij gemaakt (hij verliest het verviltingsvermogen) en is hij beter te verven.

Terug naar de biologische wol. Wat is er bijvoorbeeld nog duurzaam aan een kledingstuk waarvan de wol weliswaar afkomstig is uit biologische veeteelt, maar waarvoor in het verdere productieproces chloor, milieubelastende ontvetters of chemische verfstoffen zijn gebruikt? Met de beoogde duurzaamheid houdt het dan ergens halverwege op.

Keurmerken

En daarmee begint ook de verwarring. Sommige grote merken benadrukken met zelfbedachte keurmerken en logo’s dat hun grondstoffen, zoals wol, afkomstig zijn uit biologische landbouw. Over de vervolgstappen in het productieproces zegt dit echter niets, wat het er voor de consument niet duidelijker op maakt.

Er moeten dus regels zijn waarbij het hele productieproces wordt gecontroleerd en in beeld wordt gebracht. De meest gehanteerde norm voor biologische textiel die dit soort criteria opstelt en controleert is de Global Organic Textiles Standard (GOTS). Als een kledingstuk GOTS-gecertificeerd is, dan is het gegarandeerd van biologische herkomst en kan je ervan op aan dat ook de verdere verwerking (ontvetten, verzachten, verven enzovoort) voldoet aan strenge duurzaamheidseisen.

Datzelfde geldt ook voor heel veel andere stappen in het productieproces: het verven van textiel is binnen GOTS toegestaan, maar lang niet alle verfstoffen die in de conventionele industrie zijn toegestaan, voldoen aan de criteria voor biologische textiel. Als aan een van de productiefasen niet is voldaan aan de GOTS eisen, dan mag een kledingstuk het GOTS-label niet dragen.

 

Plastic in ons drinkwater

Synthetische textielvezels een van de grootste vervuilers

Een berg plastic afval in Manilla. Foto: Orb Media

Dat plastic een serieuze bedreiging vormt voor het leven in zee, is al langer bekend. Ook weten we dat zoogdieren, vogels en mensen door het eten van vis kleine plastic-deeltjes kunnen opnemen, en dat dit mogelijk leidt tot kanker en andere ziektes.

Kan het nog erger? Ja. Uit een onderzoek van het journalistieke platform Orb Media bleek onlangs dat uiterst kleine plasticdeeltjes tegenwoordig een vast bestanddeel van ons drinkwater vormen. De onderzoekers van Orb troffen de microplastics op alle plaatsen van de wereld aan, niet alleen in het gewone drinkwater dat uit de kraan komt, maar ook in gebotteld bronwater. De plastics maken geen onderscheid in rijkdom of macht: ook in het kraanwater van het Capitool werd plastic aangetroffen, net als in dat van de Trump Tower.

In liefst 83% van de proeven die Orb wereldwijd uitvoerde bleek het drinkwater besmet met microplastics. Met name in de Verenigde Staten is het bijna onvermijdelijk dat je ze binnenkrijgt door water te drinken: 94% van het getestte water bleek daar besmet, waarmee het Amerikaanse drinkwater bovenaan de ranglijst staat, net voor Libanon en India. In Europa is de situatie beter, maar bevat nog steeds 72% van het onderzochte water plastic.

In het onderzoek gebruikte Orb telkens 500 ml. water, dat microscopisch werd onderzocht op het aantal plasticvezels. In de VS waren dat er gemiddeld 4.8, in Europa 1.9.

Het onderzoeksresultaat van Orb komt in een treurig stemmend rijtje van soortgelijke conclusies. Zo werd nog niet zo lang geleden aan de universiteit van Ljubljana (Slovenië) aangetoond dat micro-plastics dodelijk waren voor plankton (zie onze blog daarover). Nog recenter (in september 2017) troffen Britse onderzoekers grote stukken plastic aan in smeltend ijs op slechts 1000 km van de noordpool. Plastic waar tot nu toe niemand weet van had of aan had gedacht, omdat het in het ijs verborgen lag. Daarnaast werd eerder deze maand duidelijk dat ook het zeezout overal ter wereld microplastics bevat.

Plastic: ook in bier

Uiteraard krijgen we deze microplastics niet alleen rechtstreeks binnen door water uit de kraan of uit flessen te drinken. Het komt ook in ons eten als we bijvoorbeeld groentes afspoelen, koffie maken, of als we rijst koken. In Duitsland werden 24 biermerken getest: overal zat plastic in. Ook suiker en honing testten positief op plastics.

Eigenlijk zouden de nieuwe onderzoeken niet tot verbazing hoeven te leiden. Volgens de Verenigde Naties belandt er elk jaar immers 12.7 miljoen ton plastic in de oceanen. Omdat zo’n groot cijfer nogal abstract blijft, rekenden de VN het terug naar een overzichtelijker formaat: de 12.7 miljoen ton zijn het equivalent van elke minuut een vuilniswagen vol plastic.

De meeste plastic die in de oceaan wordt aangetroffen, is afkomstig van spullen die eenmalig worden gebruikt, zoals flesjes voor water en frisdranken, maar dat heeft de industrie nog niet weten aan te zetten tot een grotere terughoudendheid op dit gebied. Integendeel: Volgens Greenpeace vergrootte Coca-Cola de productie van wegwerpflesjes vorig jaar met meer dan een miljard tot een totaal van meer dan 110 miljard.

Hoe de microplastics in het drinkwater komen, is niet helemaal duidelijk. Vast staat slechts dat de filters die nu worden gebruikt in de waterzuivering deze microscopisch kleine deeltjes niet tegenhouden.

Synthetische vezels waar kleding van wordt gemaakt, worden algemeen gerekend tot de grootste boosdoeners. Met name het wassen en drogen van kleren zouden een belangrijke bron zijn voor de plastic-verontreiniging. Bij elke wasbeurt zouden 700.000 vezels vrijkomen. Wasdroogmachines, zouden een vergelijkbaar effect hebben.

Het regent plastic

De microplastics verdwijnen niet alleen in het water, ze zweven ook in de lucht. Behalve dat ze dus een bedreiging zijn voor het zeeleven, vormen ze ook een nog nauwelijks bekende vorm van luchtverontreiniging. Dat werd in 2015 al betoogd door onderzoekers van de Parijse Universiteit Paris-Est. Zij zagen dat het in die stad letterlijk plastic regende, en niet zo’n klein beetje ook. De schatting was dat in Parijs jaarlijks tussen de 3 en 10 ton naar beneden komt. De vezels zweven in de lucht, buiten maar ook binnen onze woningen. Wij ademen ze in of slikken ze naar binnen.


Elk jaar komt er volgens Orb een miljoen ton microplastics in het milieu door het wassen van kleding


Dat niet alleen het water maar ook de lucht vol zit met deze kleine vezeltjes, zou ook verklaren waarom het drinkwater in Libanon, dat geheel afkomstig is van natuurlijke bronnen, toch voor 94% besmet is met plastics.

Hoe groot de gezondheidsrisico’s voor de mens zijn, is volgens de geleerden niet helemaal duidelijk, maar inmiddels is bewezen dat de plastics fataal zijn voor het zeeleven. De zorgen zijn dan ook groot. Als we ze inademen, komen de microplastics in onze luchtwegen en ze zijn zo klein dat ze tot ver in de longen kunnen doordringen. Door ze in te nemen via het water of eten belanden de vezeldeeltjes in de ingewanden. Tel hierbij op dat inmiddels is bewezen dat plastics giftige chemische stoffen aan zich binden, en die als het ware loslaten als ze zich in een levend organisme bevinden, en je weet hoe bedreigend dit is voor de gezondheid.

Wat kunnen we eraan doen? De grootste boosdoeners zijn volgens Orb Media synthetische kledingstoffen, stof van autobanden en wegmarkeringen. Bij het machinaal wassen van één fleece shirt of jasje zouden 1900 vezeltjes in de omgevingslucht komen. In totaal zouden elk jaar een miljoen ton microplastics in het milieu terechtkomen door het wassen.

Was je kleding minder vaak luidt dan ook het advies van Orb. Wij voegen er nog een aan toe: koop alleen kleding die is gemaakt van natuurlijke materialen. Ook natuurlijke materialen laten natuurlijk vezeltjes los als ze worden gewassen, maar het verschil met kunstvezels is toch dat die biologisch afbreekbaar zijn.

 

Jersey of geweven?

Wat wordt eigenlijk bedoeld met een ‘jersey-rok’? Waarom zie je steeds meer kleding die is gemaakt van ‘jerseys’? Met welke technieken worden kleren gemaakt en wat zegt dat over de kwaliteit?

Elk kledingstuk, zowel een jas met siernaden, knopen, ritsjes voering en capuchon als een ‘gewone’ rok is eigenlijk een heel complex product dat op talloze manieren is bewerkt voordat het uiteindelijk in jouw kledingkast belandt. In de modebladen wordt vooral aandacht gegeven aan het design, maar voordat een kleermaakster aan de slag gaat, heeft de stof waar zij de schaar in zet vaak al vele bewerkingen ondergaan.

Voor het maken van doek (de stof waarvan kleding wordt gemaakt) worden eigenlijk maar twee basistechnieken gebruikt: weven en breien, voor het maken van weefsels en breisels. In essentie is weven een stokoude techniek die in veel oude culturen al bekend was. Garens werden in de lengterichting op een raam gespannen (de ketting), en dwars daarop werd er een ander garen doorheen gevlochten (de inslag). Natuurlijk zijn er talloze manieren om weefsels te maken, en gebeurt dit tegenwoordig op zeer geavanceerde machines die razendsnel werken, maar de essentie van weven is nog steeds dezelfde: Het is een tweedradensysteem van ketting en inslag.

Breien is een eendraadssysteem: geen ‘vlechtwerk’ maar kleine lusjes die in elkaar haken. Dat maakt dat breisels (ook: tricot of jersey) altijd rekbaar zijn, en veel elastischer dan geweven stoffen.

Casual

In de laatste decennia zijn in de mode-industrie de jerseys enorm in opkomst. Waar vroeger vooral T-shirts, sokken en ondergoed werden gebreid, worden met die techniek tegenwoordig ook steeds vaker rokken, overhemden, jassen en broeken gemaakt.

De belangrijkste reden is dat jerseys wat nonchalanter ogen dan weefsels en goed passen in een ‘casual’ modebeeld zoals we dat tegenwoordig kennen. Jerseys vallen soepel om je lichaam, en bewegen door hun rekbaarheid wat gemakkelijker met je mee, terwijl kleding van geweven stoffen soms wat stijver oogt.

Een nadeel is dat jerseys juist door hun soepelheid en elasticiteit je lichaamsvormen volgen, en daar moet je een beetje het figuur voor hebben. Ben je iets te zwaar, dan is dat extra pondje nog wel te verstoppen achter een geweven kledingstuk, maar bij een jersey is dat een stuk moeilijker.

Goedkoper

Niet alleen de casual mode bepaalt dat veel kleding tegenwoordig van jerseys worden gemaakt, wat ongetwijfeld ook meespeelt is dat ze goedkoper zijn. Geweven stoffen zijn duurder, met name omdat ook de weefmachines duurder zijn en om grotere investeringen vragen dan breimachines. Dat is ook een van de redenen waarom weverijen verder gespecialiseerd zijn dan breierijen: zo zijn er maar weinig weverijen die zowel wollen als katoenen doek produceren, omdat daarvoor verschillende machines worden gebruikt. Op breimachines is het daarentegen eenvoudiger om zowel wollen als katoenen doek te maken.

Al met al zijn jerseys goedkopere stoffen, en omdat kleding steeds korter wordt gedragen en de prijzen daardoor constant onder druk staan, kiezen veel merken hiervoor. Jerseys zijn goedkoper in de productie en de kleding die ervan wordt gemaakt, kan goedkoper worden aangeboden.

Duurzaamheid

Breisels en weefsels zijn dus andere soorten stoffen, met verschillende eigenschappen. Over de kwaliteit zegt dat eigenlijk niets, tenminste niet in de zin dat de ene techniek beter zou zijn dan de andere.

Is er dan een verschil in duurzaamheid?

Voor het maken van het doek lijkt het verschil gering: het produceren van honderd kilo jersey-doek kost ongeveer net zo veel energie als een gelijke hoeveelheid geweven stof.

Er zit wel een verschil in de ‘gebruikfase’, door de consument. Geweven stoffen zijn door hun structuur namelijk altijd wat stugger, wat met zich meebrengt dat ze sneller kreuken. Je zult dus wat langer moeten strijken op een geweven overhemd dan op een overhemd dat van een jersey is gemaakt. Dan gaan we er natuurlijk van uit dat dit overhemd niet kreukvrij is gemaakt, want dat is een erg milieu-onvriendelijke afwerking van het doek.

Een mooie ontwikkeling is dat tegenwoordig steeds vaker ook linnen en hennep in gebreide vorm wordt aangeboden. Beide staan bekend als stugge vezels, en kleding die ervan is gemaakt, is erom berucht dat die zo snel kreukt. Maar die kreukgevoeligheid geldt met name voor de geweven artikelen, en niet of in veel mindere mate voor de linnen- of hennep jerseys. Zo kan je dus toch genieten van de natuurlijke eigenschappen van linnen of hennep, zonder dat je al te lang en al te vaak met de strijkbout in de weer hoeft te zijn.

Wat maakt de prijs?

Het ene T-shirt kost iets meer dan een tientje, het andere bijna 65 euro. Vraag je je ook wel eens af hoe dat kan? Natuurlijk zijn er kwaliteitsverschillen en betaal je soms ook de naam van een gerenommeerd merk. Soms spelen echter ook factoren een rol waar je misschien iets minder snel bij stilstaat.

De prijs van kleding wordt door meerdere factoren bepaald. Een belangrijke is de grondstoffenprijs: de kosten van het materiaal waarvan een artikel is gemaakt. Zo is het maken van een shirt van hennep of linnen bijvoorbeeld veel duurder dan wanneer datzelfde shirt wordt gemaakt van katoen. Een belangrijke oorzaak is dat de grondstof schaarser is, er wordt simpelweg minder hennep verbouwd dan katoen.

Daar blijft het echter niet bij. Linnen (gemaakt van vlas), hennep en katoen zijn plantaardige vezels, landbouwproducten die na de oogst verder moeten worden verwerkt om er garen en uiteindelijk doek van te maken. Elke vezelsoort vereist zijn eigen speciale bewerking op aparte machines en in gespecialiseerde bedrijven. Er zijn veel minder fabrieken die hennep of linnen kunnen spinnen, weven of breien dan katoenverwerkende bedrijven. Linnen- en hennepspinners en -wevers waren er enkele tientallen jaren geleden nog veel meer dan nu, maar een flink gedeelte van het machinepark is in de loop van de jaren verkocht aan bedrijven in Azië. In West-Europa is daardoor niet alleen het machinepark klein in vergelijking met bijvoorbeeld China, maar ook de know-how is hierdoor langzaam weggeëbd. Zo kan het gebeuren dat een groot gedeelte van de vlas die in Europa wordt geteeld, eerst naar China wordt geëxporteerd om te worden verwerkt tot garen of doek. Soms wordt dat doek of garen dan weer terugvervoerd naar Europa, maar veel vaker besluiten bedrijven om dan ook maar de kledingconfectie in China te laten.
De relatieve schaarste van bepaalde grondstoffen bepaalt hier dus mede hoeveel jouw shirt kost.

Waarom kost het ene katoenen shirt dan soms zoveel meer dan het andere? Uiteraard zijn er merken die enorme bedragen uitgeven aan marketing, en dat doorberekenen in hun producten. ‘Veel duurder’ is daardoor lang niet altijd ‘veel beter’.

Herkomst

In de kleine markt van biologische kleding zijn de marketingbudgetten echter beperkt en zijn andere factoren belangrijker. Dat begint al bij de herkomst van de katoen. De Indiase katoen is kortvezeliger en van een mindere kwaliteit, maar daardoor ook goedkoper dan die uit Turkije of Egypte. Ook de arbeidskrachten in India zijn goedkoper dan die in Portugal of Turkije. Goedkopere grondstoffen en goedkopere arbeidskrachten, dat kan al snel een flink verschil uitmaken op de prijs van het eindproduct.

Natuurlijk moet je ook denken aan de kwaliteit van het doek, de ene stof is de andere niet. Er zijn talloze kwaliteitsverschillen die te maken hebben met enorm veel uiteenlopende factoren zoals de dikte en het gewicht van het materiaal, de specifieke manier waarop het garen is geweven of gebreid, en ook de afwerking (‘finish’) van de stof.

Ook de massaliteit bepaalt de prijs. Grote merken met een massa-productie profiteren van een enorm schaalvoordeel in vergelijking met een klein maar exclusief label. Als je tienduizend shirts laat maken, wordt de prijs per stuk uiteindelijk veel lager dan wanneer je er maar enkele tientallen laat maken.
Daarnaast zijn grote merken vaak in de positie dat ze, in ruil voor een gegarandeerde afzet, hun (lage) prijzen kunnen dicteren aan boeren en fabrieken en confectie-ateliers.

Terug naar de shirts: het shirt van 64,95 is net als dat van 47,50 gemaakt van hennep en biokatoen. Het aandeel hennep is in het duurdere shirt echter groter (55% tegenover 30% bij het andere shirt) wat het doek duurder maakt. Het shirt van 64,95 is daarnaast gemaakt in een iets zwaarder ‘picque’ breisel.
Het witte T-shirt van 11,95 is van prima kwaliteit, maar gemaakt van de goedkopere Indiase katoen, is ook in India geconfectioneerd, in grote hoeveelheden gemaakt, en door de producent onverpakt aangeboden. Het blauwe shirt van 29,90 euro is minder ‘basic’, er is meer aandacht besteed aan het ontwerp, het is geproduceerd in Portugal en wordt per artikel apart verpakt aangeboden.

Certificering

Biologische kleding kan nooit zo goedkoop worden gemaakt als conventionele kleding. Dat is onder andere omdat ‘eco’ nog steeds een kleine markt is, en het schaalvoordeel van de echte massaproductie ontbreekt. Veel biologische kleding is daarnaast GOTS-gecertificeerd. Dat is een ingewikkeld proces omdat de productie van een kledingstuk langs heel veel schijven gaat, die stuk voor stuk moeten voldoen aan hoge criteria. Ga maar na: het begint al met het biologische verbouwen van een vezelplant,  en vervolgens komt daar nog een hele sliert van bewerkingen achteraan: spinnen, breien, verven, confectie enzovoort, tot en met de verpakking. Al die verschillende fases waar een kledingstuk langs gaat voordat het uiteindelijk in de winkel ligt, worden in de GOTS-certificering meegenomen. De bedoeling is dat de klant de zekerheid heeft dat hij een goed product koopt, maar daar zit wel een prijskaartje aan vast. Ook dit certificeringsproces drijft de kosten immers op.

Biologische zijde

Eerst een paar cijfers en feiten over zijde.

  • Zijde wordt geproduceerd door de zijderups. Er zijn een aantal variëteiten zijderupsen (ook wel zijdespinners genoemd), waarvan de ‘bombix mori’ de beste kwaliteit zijde levert. Zijde is eigenlijk niets anders dan de draden waarmee de rups zich inpopt in een cocon. De lange draad die direct van de cocon kan worden afgewikkeld wordt filament-zijde genoemd.
  • Voor 1 kilo filamentzijde, zijn meer dan 6 kilo cocons nodig. Daarvan kunnen vijf tot zes shirts worden gemaakt.
  • Anders gezegd: er is ruim 1 kilo cocons nodig om 1 shirt te kunnen maken
  • Voor een kilo filamentzijde zijn ongeveer 3000 cocons en rupsen nodig.
  • Die 3000 rupsen doen gedurende dertig dagen niets anders dan eten. Onafgebroken. Het menu is weinig afwisselend: ze eten alleen moerbei-blaadjes. Samen verorberen de rupsen ongeveer 104 kilo moerbei-blaadjes.

Er zijn dus ook heel wat moerbeistruiken nodig om die rupsen te voeren. Doorgaans worden daar speciale plantages voor aangelegd, zeker in China dat met een jaarlijkse productie van meer dan 125.000 ton veruit de grootste producent is van ruwe zijde. Vier keer per jaar worden de moerbeistruiken volledig kaalgeplukt om de rupsen van voedsel te voorzien.

Het biologische zit hem in het voer van de zijderups: de moerbeibomen worden biologisch geteeld.

Nou horen we u bijna denken: waar hebben we het eigenlijk over? Hoe belangrijk is dit?

Onze leverancier van biologische zijde onderstreept echter het belang van biologische teelt: “Natuurlijk is er een nauwe relatie tussen de kwaliteit van de vezel en datgene wat de rups eet. Zijderupsen zijn als het ware omgezette moerbeiblaadjes. Als ze alleen de beste kwaliteit blaadjes eten, heeft dat ongetwijfeld een directe uitwerking op het eindproduct.”

De moerbeiplantage van onze leverancier Alkena ligt in het westen van China, in de provincie Szechuan. Het is een bergachtige streek, in de uitlopers van het Himalaya-gebergte, en grenzend aan Tibet. De hoogste toppen reiken hier toch nog tot boven de 4000 meter. Ter vergelijking: de Mont Blanc is ongeveer 4800 meter hoog. De moerbeiplantage ligt in een dal, hoger in de heuvels zijn bamboebossen waar nog pandaberen leven.

Die plantage bestaat uit maar liefst 600.000 moerbeistruiken. Een monocultuur dus, erkent ook Alkena. “Het was van meet af aan duidelijk dat een goed evenwicht alleen maar gecreëerd kon worden door biologisch-dynamische landbouw.”
Behalve de moerbeistruiken zijn er nog honderden fruitbomen geplant, evenals 5000 andere boomsoorten waar vogels in kunnen nestelen, voor schaduw en tegen de wind.

Hennep in je auto

Op allerlei hennep-blogs is nog steeds te lezen dat Henry Ford in 1941 een auto van hennep fabriceerde. Die hennep-auto was op de eerste plaats de helft lichter dan de metalen auto’s van die tijd, wat een enorme brandstofbesparing zou betekenen. Bovendien was hij ook nog eens sterker, werd gezegd.

Lichter, dus zuiniger in het brandstofverbruik, en tóch sterker. De ‘hennep auto’ die Ford in 1941 ontwikkelde zou het allemaal zijn. Om te onderstrepen hoe sterk het materiaal was, was de oude Ford (toen 78) niet te beroerd om voor de snorrende camera’s verwoed op zijn auto te slaan met iets wat lijkt op een bijl. De auto gaf geen krimp, niets aan het handje. Dat zou bij een gewone auto niet hebben gekund. “Bij een soortgelijk experiment op een stalen plaat, sloeg hij door het metaal,” schreef de New York Times.

Ford zou iets hebben gehad met hennep. “Waarom zouden we bossen of mijnen leegplunderen die zich gedurende eeuwen hebben gevormd als we hennep hebben, die elk jaar opnieuw groeit?” Om te laten zien dat het menens was met zijn liefde voor hennep, liet Ford zich graag fotograferen in een stapel hennepstro.

Helaas werd het verhaal van de hennep auto een paar jaar geleden ontkracht. De auto die Ford had gebouwd, was volgens de kranten van die tijd grotendeels van ‘plastic’ gemaakt. Eigenlijk lijkt het te gaan om een composiet, een uit meerdere componenten samengesteld product dat voor 70 procent bestond uit plantaardige vezels, waaronder hennep. Tegenwoordig zouden we dit een biocomposiet noemen.

Ford had het wel goed gezien. Plantaardige vezels als hennep en vlas zijn bekend om hun grote trekkracht, die niet onderdoet voor die van de traditionele glasvezels. Bovendien zijn ze licht, liggen de productiekosten een stuk lager, is het energieverbruik geringer, en zijn de natuurlijke vezels hernieuwbaar. Niet voor niets worden vlas en hennep steeds meer toegepast in zogenoemde biobased composieten.

 

 

 

Johan Museeuw

Vooral in de sport wordt daar al niet meer raar van opgekeken. De voormalige Belgische topwielrenner Johan Museeuw presenteerde jaren geleden al een racefiets die voor 50 procent bestond uit vlasvezels. Het Franse sportmerk Decathlon kwam met een tennisracket waarin eveneens vlasvezels zijn verwerkt.
Best mogelijk dat Museeuw en Decathlon voor plantaardige vezels hebben gekozen vanuit een groene ondernemersvisie, maar doorslaggevend zullen toch de mechanische en fysische eigenschappen zijn geweest: de vlasvezels zijn licht,  sterk en goedkoper te produceren.

Mede om die redenen is ook in de automobielsector het gebruik van natuurvezels in composieten sterk toegenomen. In de Duits/Oostenrijkse auto-industrie werd in 1996 al 1.300 ton vlas verwerkt, in 2005 was dat opgelopen tot 12.700 ton. Per auto werd in 2000 gemiddeld 20 kilo textiel verwerkt, de schatting is dat dit in 2020 zal zijn opgelopen tot zo’n 32 kilo. Interessant is dat een groot deel van de textiele vezels worden ingezet als vervangende grondstof voor bekende applicaties.

Hemp Flax

Een van de bedrijven die aan de auto-industrie leveren is het Nederlandse Hemp Flax, dat onder andere Bugatti en Mercedes tot zijn klanten kan rekenen.
Vooralsnog worden de met natuurvezels versterkte kunststoffen in de automobiel-industrie vooral toegepast in het interieur, zoals in de hoedenplank, het dashboard en de deurbekleding. Ook de zwaardere toepassingen komen eraan. Al in 2007 maakte het Nederlandse bedrijf NPSP Composieten voor de Nederlandse Spoorwegen de neus van een zogenoemde Koplopertrein. In het daarvoor ontwikkelde composiet zijn synthetische vezels geheel verbannen, en is uitsluitend gewerkt met natuurlijke vezels, die weer worden versterkt met natuurlijke harsen.

Ford maakte zijn auto in 1941 dus maar voor een klein gedeelte van hennep. Het schijnt zo te zijn dat de mensen van het Ford Museum in Detroit het dan ook niet hebben over een hennep-auto, maar over een sojabonenauto. Die waren er óók in verwerkt. Tegenwoordig zit er meer hennep en vlas in onze auto’s dan in de ‘hennep auto’ van Henry Ford.

De eco-claim van gerecyclede nylon

Wanneer ik klanten bezoek met onze stoffencollecties, draag ik graag een rok en panties. Met panties aan voel ik me meer vrouw. Toch vind ik panties niet echt geweldig dragen, ze zijn zweterig en gaan o zo snel kapot. Heel jammer en zeker niet duurzaam.

Wat is dat nu eigenlijk, zo’n nylon panty, waar is die van gemaakt en zijn er eco-panties?

Eerst maar eens de vraag wat nylon eigenlijk is. Kort samengevat is het een vezel die wordt aangeduid als een ‘polymeer’, een synthetische stof die ontstaat door de samenkoppeling van verschillende ‘monomeren’, molecules die de eigenschap hebben dat ze zich laten koppelen aan andere. De belangrijkste grondstof voor nylon is het monomeer caprolactam, dat wordt geproduceerd uit fossiele grondstoffen.
Uiteraard zijn de eigenschappen van het polymeer dat ontstaat door zo’n koppeling, afhankelijk van de molecules die gekoppeld worden. Nylon behoort tot de groep van de polyamides.
Het polymeer wordt uiteindelijk geproduceerd in de vorm van korrels of chips die bij een temperatuur van 250 graden worden gesmolten om er garen van te maken. Door het smelten ontstaan een vloeibare massa die door een plaat met talloze kleine gaatjes wordt geperst zodat er lange draden  (filamenten) ontstaan die na afkoeling (door een luchtstroom) verharden. Het door de matrijs persen van deze vloeibare massa is de feitelijke garenproductie en wordt daarom ‘spinnen’ genoemd.

Parachutestof

Nylon werd in de jaren 30 ontwikkeld door de firma Dupont, niet om er beenmode maar om er parachutestof van te maken. Parachutes werden tot die tijd gemaakt van zijde, een materiaal dat in die tijd steeds zeldzamer en duurder werd.
Andere toepassingen volgden met de verdere ontwikkeling van de techniek maar het duurde nog tot in de jaren 50 voordat er dunnere nylonvezels werden geproduceerd waarvan gladde en steeds dunnere kousen werden gemaakt.
De nylons waren een instant succes en vlogen de winkels uit. Aanvankelijk werden de kousen nog opgehouden door jarretelles, vanaf de jaren 60 werden die steeds vaker vervangen door de panty, een woord dat trouwens is afgeleid van ‘pantalon’.

Ondanks de enorme populariteit van nylon panty’s was het draagcomfort lala. In een bekend handboek voor textielonderwijs worden de voordelen van polyamidevezels als nylon samengevat: gemakkelijk te wassen, gemakkelijk te ontvlekken en snel drogend. Maar dan gaat het verder: “Een nadeel is, dat het minder geschikt is als eerste huidbedekking, omdat het vocht dat door het lichaam wordt afgescheiden, weinig door de nylon wordt geabsorbeerd.”

Toch is een kous of panty precies die “eerste huidbedekking” waarover hier wordt gesproken. Tsja, ijdelheid is van alle tijden, en het oog wil nou eenmaal ook wat.

Over het draagcomfort kunnen de meningen wellicht nog uiteenlopen, maar een panty die is gemaakt van nieuwgemaakte nylon is in elk geval niet eco. De belangrijkste grondstof (caprolactam) is een aardoliederivaat, bovendien wordt bij de productie van elke kilo van dit materiaal ook nog een veelvoud (4 à 5 kilo) zout geproduceerd. Niet erg schoon.
Uiteindelijk vergaat nylon trouwens wel, maar niet erg snel: het proces duurt 30-40 jaar. En ondertussen wordt er steeds meer van geproduceerd.

Recyclen

Hoe zit het nou met gerecyclede nylon? In het normale spraakgebruik hebben we het bij recyclen over hergebruik van gebruiksproducten (post-consumptie afval). Oude kranten worden ingezameld en er wordt nieuw papier van gemaakt. Plastic flessen worden na gebruik omgesmolten en er worden nieuwe van gemaakt. Statiegeldflessen worden eveneens opnieuw gebruikt.

De ‘gerecyclede nylon’ die wordt gebruikt voor het maken van panty’s wordt op een heel andere manier verkregen. Er is geen sprake van dat afgedankte kledingstukken worden omgewerkt tot nieuwe kleding. Hoewel er wel verschillende initiatieven in die richting zijn genomen, bestaan er nog geen groot opgezette en efficiënt werkende inzamelsystemen voor nylon kousen of panty’s. En zelfs als zouden die wel bestaan, dan is het moeilijk om van oude panty’s nieuwe te maken, omdat er ook elastische vezels in worden verwerkt. Voordat er sprake kan zijn van recycling, zouden die elastische vezels eerst van de nylon gescheiden moeten worden.

Als er wordt gesproken over panty’s van gerecyclede nylon, gaat het daarom meestal over “pre-consumptie afval”: afval dat ontstaat voordat het door een consument is gebruikt. Met andere woorden: schoon productie-afval. Die afval, normaal in elk productiebedrijf, wordt dan verzameld, gereinigd en opnieuw omgesmolten. Het komt dus niet direct op de alsmaar groeiende en traag afbrekende berg nylon. Daarnaast worden bij dit recyclingproces aanzienlijk (ongeveer 25%) minder grondstoffen en energie gebruikt dan bij de productie van nieuwe nylon. Heel mooi, maar is dit ‘eco’ of gewoon efficiency en besparing?

Duurzaam?

Is een nylonkous uit gerecyclede nylon nu een duurzaam product? Om te bepalen hoe duurzaam een vezel is, zou een zogenoemde Life Cycle Analysis (LCA) gemaakt moeten worden. Daarbij wordt gekeken naar allerlei factoren, zoals energieverbruik, CO2-uitstoot, waterverbruik, en het gebruik van land (dat immers ook voor voedselverbouw zou kunnen dienen). Het probleem bij het maken van een LCA is altijd: welk belang is toegekend aan elk van die afzonderlijke factoren. Hoe kan je waterverbruik bijvoorbeeld vergelijken met landverbruik?

Dat was ook de kern van de kritiek die enkele jaren geleden ontstond na zo’n onderzoek naar de duurzaamheid van textielvezels. Deze benchmark werd destijds gemaakt in opdracht van Made-By, een organisatie die streeft naar meer duurzaamheid en betere sociale werkomstandigheden binnen de fashion industrie. Opvallend was dat de mechanisch gerecyclede kunstvezels daarin bijzonder goed uit de bus kwamen, gerecyclede nylon scoorde bijvoorbeeld net zo goed als biologisch geteelde hennep of vlas, maar beter dan ‘conventionele’ hennep, al is daarvan bekend dat die bijna altijd zonder bestrijdingsmiddelen en met een gering waterverbuik wordt geteeld.

De uitslag leidde dan ook tot scepsis. Zo werd in deze LCA pas gekeken naar de milieukosten vanaf het moment dat de nylon wordt hergebruikt. Alle stappen die eerder werden genomen om te komen tot een kunstvezel, worden in het geheel niet meegewogen.

Is gerecyclede nylon nou ‘eco’? Natuurlijk is het een stapje in de goede richting, dat materiaal wordt hergebruikt. Van de andere kant kan je misschien ook zeggen dat de productie van gerecyclede nylon nog meer energie kost dan die van gewone nylon, als je ook de eerste productie meetelt. Dus of het nou ‘eco’ is? Misschien, maar naar mijn gevoel alleen als je een heel brede definitie van dat begrip hanteert.

Garens van Himalaya-netels

Ecotex heeft een nieuw duurzaam garen ontwikkeld dat bestaat uit een menging van 70% wol en 30% Himalaya-netel. Het garen is ontwikkeld in nauwe samenwerking met de Belgische spinnerij Mefil en Himalaya Wild Fibers (Kathmandu, Nepal).

Meerdere bedrijven die zich richten op interieurtoepassingen hebben nu al enthousiast gereageerd op het wol-netelgaren. Met name de zachte greep en de mooie glans vallen erg in de smaak. Het garen is bijzonder geschikt voor tapijten en andere interieurtoepassingen als plaids en kussens. Bovendien is het ‘Himalayagaren’ een fantastisch voorbeeld van duurzame en sociale productie.

De Himalaya-netel of allo (Lat.: Girardinia diversifolla) groeit op een hoogte van 1200-3000 meter in de bossen aan de voet van het hooggebergte. De plant wordt 1,5 tot 3 meter hoog en er wordt een zeer lange en sterke vezel uit gewonnen. Door de inheemse bevolking wordt die al sinds eeuwen gebruikt om er uiteenlopende producten van te maken: touw, netten, matten, lakens maar ook kleding.
De Himalaya-netel groeit snel, zonder het gebruik van insecticiden of bemesting. Essentieel is de manier van oogsten: als de plant niet wordt uitgerukt, maar wordt afgesneden regenereert hij zichzelf door verder te groeien op de bestaande wortelstok.

Over het algemeen worden de planten verzameld door vrouwen van boerenfamilies, wat hen buiten het seizoen een bijverdienste oplevert. Veel van deze families staan min of meer buiten de geld-economie, het geld dat ze ontvangen voor de netels is vaak het eerste geld dat ze verdienen, waarmee ze medicijnen en eten kunnen kopen, maar ook toegang krijgen tot onderwijs. De Himalaya-netel kan een belangrijke inkomstenbron worden voor de arme bergdorpen

Himalaya-netel wordt nog altijd slechts zeer kleinschalig gewonnen, maar heel langzaam begint de vraag te stijgen. Dat heeft enerzijds waarschijnlijk te maken met de fascinatie voor dit exotische product, maar ook met de goede eigenschappen. Mensen met een gevoelige huid ervaren de kleding die is gemaakt van allo als verzachtend.

De Belgische spinnerij Mefil is erin geslaagd de vezels te kammen, waarna ze zijn versponnen met wol, zodat ze geschikt zijn om mee te tuften, breien en weven. Daarbij is gebruik gemaakt van een uniek verviltingsproces.
In het nieuwe garen is zogenoemde Laneve-wol verwerkt, een certificering van de Nieuw-Zeelandse wolorganisatie Wools of New Zealand. In die certificering wordt niet alleen gelet op de kwaliteit van het product maar ook op dierenwelzijn en milieunormen. De herkomst van de wol is volledig traceerbaar.