Auteur: admin

Allergie en kleding

Regelmatig kloppen mensen bij ons aan die last hebben van hun kleding en op zoek zijn naar kleding die geen irritaties of jeuk veroorzaakt. Hoe komt dat nu, die allergie voor kleding?

De gebruikte vezels in een kledingstuk kunnen leiden tot irritatie. Dat geldt voor zowel synthetische- als natuurlijke vezels. Zo is de huid van sommige mensen erg gevoelig voor wol, wat kan leiden tot jeuk. Een soortgelijke reactie treedt soms ook op bij zijde.

Ook synthetische vezels als polyamide (nylon) kunnen irritaties veroorzaken, vooral omdat ze (in tegenstelling tot de natuurlijke vezels) geen vocht opnemen.
Met uitzondering van leer, geven natuurlijke vezels echter zo goed als nooit allergische reacties in de medische betekenis van het woord.

Kleurstoffen

Kleren hebben meestal een kleur, ze zijn ofwel geverfd ofwel voorzien van een print. Dat betekent dus dat er kleurstoffen worden gebruikt, en sommige daarvan zijn wél allergeen, en veroorzaken dus allergische reacties. Daarbij gaat het met name over synthetische ‘azo-kleurstoffen’ en ‘dispersiekleurstoffen’ die gebruikt worden voor het verven van synthetische textiel. Bij transpireren worden die kleurstoffen vaak als het ware overgedragen: ze geven kleur af. Disperse kleurstoffen worden bijvoorbeeld veel toegepast in nylonkousen en panty’s.

Verfstoffen zijn niet de enige oorzaken van allergische reactie. Textiel wordt vaak afgewerkt met zogenaamde kwaliteitsverbeteraars, en ondergaat doorgaans een chemische ‘finish’. De daarbij gebruikte materialen kunnen eveneens allergische reacties veroorzaken. Een bekende finish is bijvoorbeeld het strijkvrij maken van overhemden door middel van kunstharsen, of het gebruik van formaldehyde voor het kreukherstellend maken van kleding. Ook het wasbaar maken van wol middels de zogenaamde Clorine-Hercosett methode (waarbij veel chloor wordt gebruikt) is zo’n finish. Veel van deze chemische toevoegingen, waaronder formaldehyde, zijn niet toegestaan in natuurlijke kleding die is gecertificeerd volgens GOTS (Global Organic Textiles Standard).

Veel mensen zijn gevoelig voor elastaan, dat vaak is verwerkt in bijvoorbeeld ondergoed, sokken, en leggings om er een grotere vormvastheid aan te geven. Binnen de regels van GOTS is het gebruik van elastaan beperkt toegestaan voor bepaalde productgroepen: tot maximaal 10% voor sokken en leggings en maximaal 25% voor sportkleding. Het keurmerk IVN is strenger en staat slechts 5% elastaan toe.

Tips voor gezonde allergievrije kleding:

  • draag alleen kleding van natuurlijke vezels, zoals katoen, linnen, wol, zijde.
  • Was de kleding eerst, alvorens ze te dragen
  • Draag bij voorkeur loszittende kleding
  • Vermijd kleding die is behandeld is met kreukvrije of brandwerende ‘verbeteringen’.
  • Kijk bij gevoeligheid voor elastaan naar de certificering en naar de manier waarop de elastaan is verwerkt. Is de elastaan gemengd met de overige vezels, dan kan hij direct contact maken met de huid en voor problemen zorgen. Zit de elastaan alleen in een boordje? Kijk dan of dit een elastiek is die is omwikkeld met katoen: in dat geval komt de elastaan niet direct op de huid, waardoor het risico van een allergische reactie kleiner wordt.

 

Mulesing

Nederland is geen schapenland. De meeste Nederlandse schapen worden gehouden om het vlees, de wol geldt als een bijproduct waar amper voor wordt betaald.

Dan Australië en Nieuw Zeeland. Daar is de schapenhouderij big business. Vooral de langharige merinosschapen staan er in grote getale. De wol is van hoge kwaliteit, beter dan de Europese. Een gevolg van het gunstige klimaat daar.

Toch leidt dat zelfde klimaat ook tot problemen. Niet alleen merinosschapen gedijen er goed, de omstandigheden zijn ook uitstekend voor vraatzuchtige vlieg met de Latijnse naam Lucilia cuprina. Lucilia voedt zich met van alles, van rottend fruit tot uitwerpselen. En uitwerpselen vindt de vlieg in overvloed rond het wollige achterste van de schapen. Geen smakelijk verhaal, maar wél voor deze zogenaamde ‘blowfly’. Dáár legt de vrouwelijke vlieg dus ook bij voorkeur haar eieren.
Maar nu komt het. De larven die daaruit voorkomen, voeden zich met het levende vlees van het schaap, en scheiden intussen ammoniak af. Het eerste leidt tot vreselijke irritaties en afschuwelijke wonden, terwijl de ammoniakafscheiding leidt tot vergiftigingsverschijnselen. Uiteindelijk kan het schaap sterven aan de complicaties.

De blowfly is een groot probleem, dat het schapenland Australië enorme economische schade berokkent. Er wordt van alles geprobeerd om het vliegenprobleem aan te pakken, maar dat is nog niet zo gemakkelijk. Insecticides, vliegenvallen… het bleken geen afdoende oplossingen.

Een oplossing is wél het ‘mulesing’, zo genoemd naar de ‘uitvinder’ ervan, ene John Mules. Het verhaal gaat dat Mules tijdens het scheren van een schaap per ongeluk wat huid rond de anus wegschaafde. Zo zou hij hebben ontdekt dat het schaap de ellende van de vleesetende larven van de Lucilia cuprina bespaard bleef.

De methode is inmiddels verfijnd, maar het principe blijft gelijk: operatief wordt een laag huid weggehaald, waardoor op die plaats littekenweefsel ontstaat, en dus geen wolgroei. Probleem opgelost, zou je denken. Maar nee, de manier waaróp dat mulesing gebeurt, is volgens de dierenrechtenorganisatie PETA (People for the Ethical Treatment of Animals) ronduit gruwelijk. PETA spreekt van onverdoofde ingrepen, waarbij lammeren ondersteboven aan rekken worden gehangen, van verminking, stress en nog veel meer dierenleed. De boeren hebben het juist over micro-chirurgische ingrepen en wijzen vooral op de ellende die de schapen later bespaard wordt.

Biologische veeteelt?

Hoe zit het met mulesing in de biologische veeteelt? In de biocertificaten GOTS en IVN Best wordt wel aandacht besteed aan dierenwelzijn maar is geen aparte paragraaf over mulesing opgenomen.
Overigens komt mulesing niet overal voor, eigenlijk is het fenomeen beperkt tot Australië, om de eenvoudige reden dat die blowfly in andere klimaatzones niet voorkomt.
Het grootste deel van de wol dat door ‘onze’ merken wordt gebruikt komt uit Patagonië, het onherbergzame zuidelijke deel van Zuid-Amerika waar de blowfly als gevolg van de grote temperatuurswisselingen niet kan leven. De wol van de Argentijnse merinosschapen is daarentegen van superieure kwaliteit. Juist vanwege de kou, de grote verschillen in dag- en nachttemperatuur en de eeuwige harde wind is die dichter en sterker gekroesd dan de Australische.