Auteur: admin

Polyester in plankton

Aan de universiteit van Ljubljana (Slovenië) is voor het eerst vastgesteld dat microvezels van polyester sterfte van plankton veroorzaken. De volledige resultaten van het Sloveense onderzoek zijn gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Environmental Pollution.

Plankton is een directe voedselbron voor tal van waterdieren en enorm belangrijk in de voedselketen, uiteindelijk ook voor de mens. Dat micro-plastics grote gevolgen hebben voor het maritieme leven en het milieu in het algemeen is al langer duidelijk, maar was nog nooit eerder op dit niveau onderzocht. Wetenschappers spreken over de ‘plastificering van de voedselketen’. Meestal belanden die microscopisch kleine polyesterdeeltjes door het wassen van kleding in het water.

Dat er steeds meer van die kleine plasticdeeltjes in het milieu belanden is nog maar de helft van het verhaal. Volgens Dr. Nick Mallos van Ocean Conservancy in een interview met Ecotextile News, is ook aangetoond dat andere verontreinigende stoffen als het ware samenklonteren op de microvezels, wat de impact van de verontreiniging met polyester alleen maar groter maakt. En verontrustender.

Polyester (PET) wordt veel gebruikt in de conventionele kledingindustrie. Het is eigenlijk hetzelfde spul als ook wordt gebruikt voor het maken van frisdrankflessen. Merkwaardig is dat de laatste jaren het gebruik van ‘gerecyclede polyester’ door een aantal kledingmerken maar ook door organisaties als Milieu Centraal naar voren wordt geschoven als een ‘schone vezel.’ Het wordt echter steeds duidelijker dat polyester in kleding een kwalijke rol speelt in de vervuiling van de zeeën. Het gebruik van gerecyclede polyester is daarvoor geen oplossing, en verergert het probleem misschien zelfs.

Toch is het gebruik van kunststofvezels soms bijna onvermijdelijk, ook in natuurlijke of biologische kleding. Dan hebben we het over speciale producten als beha’s of leggings. Binnen de Global Organic Textiles Standard (GOTS) is daarover bepaald dat in dit soort producten tot 5% elastaan is toegestaan, mits de overige 95% bestaat uit natuurlijke materialen van gecertificeerde biologische herkomst. Een beha van 95% biologische katoen en 5% elastaan kan dus toch GOTS-gecertificeerd zijn, eigenlijk vooral omdat er voor het gebruik van elastaan in deze functionele kledingstukken nog geen goede alternatieven bestaan. De uitdaging is om die te vinden en het gebruik van kunststofvezels in de textiel verder terug te dringen.

Alpacawol

Alpacawol wordt veel geprezen. De wol staat niet alleen bekend om zijn mooie structuur en zachtheid maar ook om zijn stevigheid: sterker dan de wol van merinosschapen en dus minder slijtgevoelig. Daarnaast heeft alpacawol een gladder oppervlak dan schapenwol en is daardoor minder krimpgevoelig als hij wordt gewassen. “Maar is de manier waarop alpacawol wordt gewonnen ook wel diervriendelijk?” vroeg iemand ons.

Op internet zijn filmpjes van te vinden waarop schapen en alpaca’s worden geschoren op een manier die niet anders kan worden omschreven als dierenmishandeling. In 2015 kwam het buitensportmerk Patagonia negatief in het nieuws door zo’n filmpje, dat was gemaakt op de boerderij van een van zijn toeleveranciers.
Zijn dergelijke praktijken uitzonderingen of is het aan de orde van de dag? Gerhard Schoppel van onze toeleverancier Schoppel Wolle schrikt, als we hem vertellen van het Patagonia-filmpje, en belooft het uit te zoeken. Een paar uur later meldt hij zich weer. Hij heeft de clip gevonden en intussen ook gebeld met zijn leverancier in Zuid-Amerika. “Het zou alleen gaan om Ovis, een grote schapenhouder. Bij mijn toeleveringsbedrijf waren geen andere gevallen bekend. En ik kan je zeggen: dierenwelzijn is een thema waar voortdurend aan wordt gewerkt.”
Maar, zegt Schoppel, een alpaca is inderdaad geen mak lammetje. Hij laat zich niet zomaar scheren. De dieren zijn nogal eigenzinnig en moeten voor het scheren worden vastgebonden. “Voor zover ik weet worden alpaca’s altijd op deze manier geschoren, en worden ze juist vastgebonden voor hun eigen veiligheid. Het scheren zelf dient, net als bij schapen, ook de gezondheid van de dieren. In de zomer is het anders veel te warm, en in de wol blijft te veel ongedierte zitten.”

Schoppel heeft een spinnerij die het vooral druk heeft met het verwerken van wol van Duitse schapen. Van de Duitse wol weet hij precies waar die vandaan komt, en hoe er wordt geschoren. Met de omstandigheden waaronder zijn Zuid-Amerikaanse alpacawol en merinoswol wordt gewonnen, is hij minder bekend. Zoals de meeste Europese spinnerijen, laat hij de rechtstreekse inkoop bij de boeren over aan een centrale inkooporganisatie in de landen van herkomst. “Wij hebben ons vooral gericht op het tegengaan van mulesing. En ik kan je garanderen dat dat in Zuid-Amerika niet gebeurt.”

Breierij in Cuzco

Mathias Gutknecht van het Peruaans-Duitse merk Apu Kuntur heeft een directere relatie met de alpacaboeren. Hij is getrouwd met de Peruaanse Nelly Amachi, die in 2008 in de oude Inca-hoofdstad Cuzco een breierij opzette om alleenstaande moeders aan werk te helpen.
“We hebben de hele keten goed in beeld,” zegt Gutknecht. “We hebben niet alleen onze eigen breierij in Peru, maar we kennen ook de boeren die ons de alpacawol leveren. We kopen die daar rechtstreeks in bij meer dan 40 boerenbedrijven.”
Sinds 2008 is het bedrijf uitgegroeid. Gutknecht en zijn vrouw Nelly werken voornamelijk vanuit Duitsland en Zwitserland en bedienen de Europese markt. De Peruaanse tak van het bedrijf, waar in de breierij inmiddels 45 mensen werken, wordt geleid door broers van Nelly.

En hoe staat het dan met de diervriendelijkheid?

Gutknecht: “Een alpaca wordt op een heel andere manier gehouden dan een schaap. Ze zijn wel gedomesticeerd, maar ze staan niet in een wei zoals de meeste schapen hier in Europa. Alpaca’s leven bijna als wilde dieren, in kleine kuddes boven in de bergen, alleen om ze te scheren worden ze bijeengedreven door een herder. En het klopt, het zijn trotse dieren, die flink kunnen tegenstribbelen. Maar ze worden geschoren door vakmensen die precies weten wat ze doen. Er zal mogelijk wel eens iets gebeuren, maar dat zijn incidenten.”

Machinewasbare wol zonder ‘superwash’

Voor het reinigen van je wollen truitjes of sokken raden de meeste fabrikanten nu nog een handwasje aan. Dat was al zo toen onze moeders en grootmoeders de was deden. Alleen door wassen op een lage temperatuur wordt immers voorkomen dat de wol gaat vervilten en krimpen.

Als je in een willekeurige winkel een product koopt dat is gemaakt van ‘wasbare wol’, kan je er eigenlijk van uit gaan dat deze wol chemisch is behandeld. Dat gebeurt over het algemeen met chloor en in een bijzonder milieu-onvriendelijk proces, de zogenaamde Clorine-Hercosett methode. In 2009 schatte de Europese Commissie dat 75 procent van de machinewasbare wol volgens die methode was behandeld, een alarmerend hoog percentage vanwege het enorme waterverbruik dat de methode met zich meebrengt en de grote hoeveelheden schadelijke stoffen die in het oppervlaktewater verdwijnen. Toch is dat vervuilende proces om allerlei redenen (met name economische) nog steeds populair bij grote wolspinnerijen die om de milieuwetgeving te omzeilen, soms de gekste fratsen uithalen. Wij kennen de verhalen van Australische wolverwerkers, die al hun garens eerst naar China verschepen om ze daar machinewasbaar te laten maken met middelen die in Australië zelf niet zijn toegestaan. Daarna komt de hele zwik weer terug om te worden verwerkt.

Het probleem met het wassen van wol is terug te voeren op de bijzondere structuur van de vezel. In tegenstelling tot bijvoorbeeld katoen is wol niet glad maar bestaat het uit microscopisch kleine schubjes die over elkaar heen liggen. De grootte en de vorm van de schubjes verschillen per schapenras en bepalen de kwaliteit van de wol: of hij hard of zacht aanvoelt, of hij kriebelt of niet, of hij goed isoleert of juist minder. Het zijn ook deze schubjes die ervoor zorgen dat de wol gaat vervilten of krimpen, als hij wordt gewassen.

Waarschijnlijk werd dat door de hele geschiedenis heen nooit gezien als een probleem, en was het gewoon één van die kleine dingetjes die er nou eenmaal bijhoren. Tót de wasmachine werd uitgevonden, en voor het reinigen van wol opeens moest worden teruggegrepen op volstrekt achterhaalde methodes als het op de hand wassen. De wol moest machinewasbaar worden gemaakt!

De industrie kwam met een briljante oplossing: om vervilting en krimp tegen te gaan, moesten die kleine schubben worden afgevlakt. En dat kon met de Clorine-Hercosett methode, ook al ging dat door het overvloedige gebruik van chloor ten koste van veel vervuiling en veel waterverbruik. Zo’n behandeling met chloor wordt in de industrie ook wel een ‘superwashing’ genoemd.

Plasma-technologie

Het ionisatieproces: de wol komt door het plasmaveld. Foto: Südwolle Group

Mogelijk heeft die vervuilende techniek zijn langste tijd gehad. Inmiddels worden er namelijk flinke stappen genomen in een proces dat eigenlijk precies hetzelfde doet als het Clorine-Hercosett-Proces: het afvlakken van de wolschubjes. Alleen gebeurt dat dan niet met behulp van allerlei chemische toevoegingen, maar op een milieuvriendelijke manier, de zogenoemde plasma-technologie. De plasma wordt gevormd door elektriciteit op een gecontroleerde manier door een een niet geleidend gas te jagen. Als de wol door dit plasmaveld wordt gehaald, volgt een reactie die de schubjes afvlakt en vervilting opheft.

Dé pionier op dat gebied is de in Duitsland gevestigde Südwolle Groep. De plasmatechnologie is al een paar jaar oud, maar werd tot nu toe vooral toegepast op wol voor kleinere nichemarkten (zoals biologische wol). Het bedrijf denkt nu dat de tijd rijp is voor opschaling. Al in 2016 werd aangegeven dat de verwachting was om binnen afzienbare tijd 1,5 miljoen kilo wol met de plasmamethode te verwerken. “En met schaal komt consistentie, efficiency en in principe ook kostenreductie. Dan wordt het ook een commercieel alternatief voor de Superwash en niet alleen een niche-product.”

Volgens de Südwolle Groep geeft de nieuwe methode niet alleen betere resultaten op het gebied van milieu, maar komt het ook de kwaliteit van de wol ten goede. Wol die is behandeld met de plasmamethode lijkt minder snellen te ‘pillen’ (het effect van kleine ‘wolkorreltjes’ op een trui) en zou ook een beter vochtregulerend vermogen hebben.

Ook Ecotex heeft artikelen van wasbare wol in de collectie, bijvoorbeeld de loopsportkleding van het merk Engel Sports. Deze wol is allemaal behandeld met de milieuvriendelijke plasmamethode, die overigens is gecertificeerd door de strengste regelgeving op het gebied van ecologische textiel: GOTS en IVN Best.

Foto: Südwolle Group

 

Allergie en kleding

Regelmatig kloppen mensen bij ons aan die last hebben van hun kleding en op zoek zijn naar kleding die geen irritaties of jeuk veroorzaakt. Hoe komt dat nu, die allergie voor kleding?

De gebruikte vezels in een kledingstuk kunnen leiden tot irritatie. Dat geldt voor zowel synthetische- als natuurlijke vezels. Zo is de huid van sommige mensen erg gevoelig voor wol, wat kan leiden tot jeuk. Een soortgelijke reactie treedt soms ook op bij zijde.

Ook synthetische vezels als polyamide (nylon) kunnen irritaties veroorzaken, vooral omdat ze (in tegenstelling tot de natuurlijke vezels) geen vocht opnemen.
Met uitzondering van leer, geven natuurlijke vezels echter zo goed als nooit allergische reacties in de medische betekenis van het woord.

Kleurstoffen

Kleren hebben meestal een kleur, ze zijn ofwel geverfd ofwel voorzien van een print. Dat betekent dus dat er kleurstoffen worden gebruikt, en sommige daarvan zijn wél allergeen, en veroorzaken dus allergische reacties. Daarbij gaat het met name over synthetische ‘azo-kleurstoffen’ en ‘dispersiekleurstoffen’ die gebruikt worden voor het verven van synthetische textiel. Bij transpireren worden die kleurstoffen vaak als het ware overgedragen: ze geven kleur af. Disperse kleurstoffen worden bijvoorbeeld veel toegepast in nylonkousen en panty’s.

Verfstoffen zijn niet de enige oorzaken van allergische reactie. Textiel wordt vaak afgewerkt met zogenaamde kwaliteitsverbeteraars, en ondergaat doorgaans een chemische ‘finish’. De daarbij gebruikte materialen kunnen eveneens allergische reacties veroorzaken. Een bekende finish is bijvoorbeeld het strijkvrij maken van overhemden door middel van kunstharsen, of het gebruik van formaldehyde voor het kreukherstellend maken van kleding. Ook het wasbaar maken van wol middels de zogenaamde Clorine-Hercosett methode (waarbij veel chloor wordt gebruikt) is zo’n finish. Veel van deze chemische toevoegingen, waaronder formaldehyde, zijn niet toegestaan in natuurlijke kleding die is gecertificeerd volgens GOTS (Global Organic Textiles Standard).

Veel mensen zijn gevoelig voor elastaan, dat vaak is verwerkt in bijvoorbeeld ondergoed, sokken, en leggings om er een grotere vormvastheid aan te geven. Binnen de regels van GOTS is het gebruik van elastaan beperkt toegestaan voor bepaalde productgroepen: tot maximaal 10% voor sokken en leggings en maximaal 25% voor sportkleding. Het keurmerk IVN is strenger en staat slechts 5% elastaan toe.

Tips voor gezonde allergievrije kleding:

  • draag alleen kleding van natuurlijke vezels, zoals katoen, linnen, wol, zijde.
  • Was de kleding eerst, alvorens ze te dragen
  • Draag bij voorkeur loszittende kleding
  • Vermijd kleding die is behandeld is met kreukvrije of brandwerende ‘verbeteringen’.
  • Kijk bij gevoeligheid voor elastaan naar de certificering en naar de manier waarop de elastaan is verwerkt. Is de elastaan gemengd met de overige vezels, dan kan hij direct contact maken met de huid en voor problemen zorgen. Zit de elastaan alleen in een boordje? Kijk dan of dit een elastiek is die is omwikkeld met katoen: in dat geval komt de elastaan niet direct op de huid, waardoor het risico van een allergische reactie kleiner wordt.

 

Mulesing

Nederland is geen schapenland. De meeste Nederlandse schapen worden gehouden om het vlees, de wol geldt als een bijproduct waar amper voor wordt betaald.

Dan Australië en Nieuw Zeeland. Daar is de schapenhouderij big business. Vooral de langharige merinosschapen staan er in grote getale. De wol is van hoge kwaliteit, beter dan de Europese. Een gevolg van het gunstige klimaat daar.

Toch leidt dat zelfde klimaat ook tot problemen. Niet alleen merinosschapen gedijen er goed, de omstandigheden zijn ook uitstekend voor vraatzuchtige vlieg met de Latijnse naam Lucilia cuprina. Lucilia voedt zich met van alles, van rottend fruit tot uitwerpselen. En uitwerpselen vindt de vlieg in overvloed rond het wollige achterste van de schapen. Geen smakelijk verhaal, maar wél voor deze zogenaamde ‘blowfly’. Dáár legt de vrouwelijke vlieg dus ook bij voorkeur haar eieren.
Maar nu komt het. De larven die daaruit voorkomen, voeden zich met het levende vlees van het schaap, en scheiden intussen ammoniak af. Het eerste leidt tot vreselijke irritaties en afschuwelijke wonden, terwijl de ammoniakafscheiding leidt tot vergiftigingsverschijnselen. Uiteindelijk kan het schaap sterven aan de complicaties.

De blowfly is een groot probleem, dat het schapenland Australië enorme economische schade berokkent. Er wordt van alles geprobeerd om het vliegenprobleem aan te pakken, maar dat is nog niet zo gemakkelijk. Insecticides, vliegenvallen… het bleken geen afdoende oplossingen.

Een oplossing is wél het ‘mulesing’, zo genoemd naar de ‘uitvinder’ ervan, ene John Mules. Het verhaal gaat dat Mules tijdens het scheren van een schaap per ongeluk wat huid rond de anus wegschaafde. Zo zou hij hebben ontdekt dat het schaap de ellende van de vleesetende larven van de Lucilia cuprina bespaard bleef.

De methode is inmiddels verfijnd, maar het principe blijft gelijk: operatief wordt een laag huid weggehaald, waardoor op die plaats littekenweefsel ontstaat, en dus geen wolgroei. Probleem opgelost, zou je denken. Maar nee, de manier waaróp dat mulesing gebeurt, is volgens de dierenrechtenorganisatie PETA (People for the Ethical Treatment of Animals) ronduit gruwelijk. PETA spreekt van onverdoofde ingrepen, waarbij lammeren ondersteboven aan rekken worden gehangen, van verminking, stress en nog veel meer dierenleed. De boeren hebben het juist over micro-chirurgische ingrepen en wijzen vooral op de ellende die de schapen later bespaard wordt.

Biologische veeteelt?

Hoe zit het met mulesing in de biologische veeteelt? In de biocertificaten GOTS en IVN Best wordt wel aandacht besteed aan dierenwelzijn maar is geen aparte paragraaf over mulesing opgenomen.
Overigens komt mulesing niet overal voor, eigenlijk is het fenomeen beperkt tot Australië, om de eenvoudige reden dat die blowfly in andere klimaatzones niet voorkomt.
Het grootste deel van de wol dat door ‘onze’ merken wordt gebruikt komt uit Patagonië, het onherbergzame zuidelijke deel van Zuid-Amerika waar de blowfly als gevolg van de grote temperatuurswisselingen niet kan leven. De wol van de Argentijnse merinosschapen is daarentegen van superieure kwaliteit. Juist vanwege de kou, de grote verschillen in dag- en nachttemperatuur en de eeuwige harde wind is die dichter en sterker gekroesd dan de Australische.