Wol en milieu

 

“Geitenwollensokken slecht voor milieu”, stond in 2016 boven een artikel op de website van Milieu Centraal, een organisatie die consumenten adviseert over duurzaamheid. Kleding van zijde en wol zou “de slechtste keuze voor het milieu” zijn. Daarbij wordt verwezen naar een onderzoek door CE Delft naar naar de duurzaamheid van verschillende textielvezels.

Na lezing van het rapport blijkt echter dat de conclusies die Milieu Centraal (MC) trekt, nogal kort door de bocht zijn. Zo kort zelfs, dat de consument hier op het verkeerde been lijkt te worden gezet. Een kleine nuancering is in elk geval op zijn plaats.

Waar gaat het om?

In het onderzoek van CE Delft wordt de duurzaamheid van uiteenlopende textielmaterialen onderzocht. De processen die doorlopen worden om van een bepaalde grondstof een geweven of gebreid doek te maken, worden daarbij onder de loep genomen waarbij met name wordt gekeken naar de milieu-impact. Vervolgens wordt dat voor zover mogelijk vergeleken met de productie van doek dat is gemaakt uit andere grondstoffen.

Het maken van zo’n Life Cycle Analysis (LCA) is een ingewikkelde kwestie. Soms gaat het over vrij eenvoudig met elkaar te vergelijken factoren als energie- of waterverbruik: hoeveel water of energie wordt er gebruikt voor de productie van 1 kilo stof? Maar het wordt al lastiger als aan die factoren een waarde wordt toegekend. Wat telt zwaarder? Waterverbruik of CO2 uitstoot? En het wordt nóg lastiger als ook minder grijpbare factoren worden meegeteld, zoals dierenleed. Om al die uiteenlopende factoren toch te kunnen samenbrengen in één geheel, zijn verschillende rekenmodellen ontwikkeld die echter allemaal eigen accenten zetten.

Wol scoort slecht in dit, maar ook in enkele andere onderzoeken naar duurzaamheid. Dat komt met name door twee factoren:  methaanuitstoot (door de boeren en scheten die de schapen laten) en vooral door landgebruik.

Biodiversiteit

Landgebruik is in elke LCA een belangrijke parameter, onder meer omdat intensieve landbouw ten koste gaat van de biodiversiteit, maar ook omdat dit land mogelijk gebruikt zou kunnen worden voor akkerbouw. Hoe zwaar de factor ‘landgebruik’ moet meewegen, is weer een ander verhaal. In de methode die door de Delftse onderzoekers werd gebruikt, telt het in ieder geval zwaar mee.

Wol en het land dat nodig is om schapen te houden, zijn echter moeilijk in te schatten factoren. Er bestaan behoorlijk wat onzekerheden over de exacte impact van wolproductie. Dat komt onder andere omdat de schapenteelt in gebieden als de Schotse Highlands, de Fäeraoer, of delen van Patagonië of Australië op een ‘natuurlijke wijze’ gebeurt. Schapenteelt gaat daar niet ten koste van de biodiversiteit, en de natuurlijke gesteldheid van die streken maakt akkerbouw vaak moeilijk, duur of zelfs onmogelijk. Vaak worden in deze ruige gebieden juist schapen gehouden, omdat het land weinig andere mogelijkheden biedt. Andere onderzoekers denken zelfs dat schapenteelt in droge gebieden kan bijdragen aan het opnieuw vruchtbaar maken van de grond.

Met andere woorden: de wol komt uit heel verschillende gebieden en de manieren waarop schapen worden gehouden, lopen vaak sterk uiteen. Deze uiteenlopende situaties maken het lastig is om de ‘duurzaamheid’ van wolproductie goed in te schalen.

Nog een ander punt is dat als landgebruik zwaar meetelt, wol dus hoger zou scoren in een LCA als er meer dieren op hetzelfde oppervlak zouden worden gehouden. Met andere woorden: als schapen gehouden zouden worden op een manier die in de richting gaat van de bio-industrie, dan zou de factor landgebruik in elke LCA minder belangrijk worden. Alleen gaat dan ongetwijfeld de factor ‘dierenleed’ weer een grotere rol spelen.

Hoe dan ook: landgebruik koppelen aan de duurzaamheid van wol, is door alle verschillen in bodemgesteldheid en manier van veeteelt, niet zo eenvoudig.

Doek is geen kleding

Onder verwijzing naar het onderzoek van CE Delft schrijft MC dat kleding van wol en zijde de slechtste keuze voor het milieu is. In het onderzoek van CE Delft wordt die conclusie echter niet getrokken. Kan ook niet, want dit onderzoek betreft nadrukkelijk de ‘doekproductie’. Dat betekent dus de productie van gebreid of geweven doek, waarvan vervolgens kleding wordt gemaakt. In het rapport wordt beklemtoond dat het gebruik en de afdanking van kleding niet in het onderzoek worden betrokken: “Stappen die specifiek zijn voor het textielproduct (naaien, gebruik en afdanking) vallen buiten de scope”.

Toch heeft MC het in zijn advies naar de consument niet over doek, maar over kleding. En ook al bestaat er natuurlijk een niet te ontkennen relatie: kleding en doek zijn toch écht twee verschillende zaken. MC doet aanbevelingen over de duurzaamheid van kleding, maar baseert zich daarbij op slechts een gedeelte van de levenscyclus.

Overigens worden de ‘geitenwollen sokken’ die in de kop boven het artikel van MC worden opgevoerd, niet geconfectioneerd uit gebreid doek, maar direct van garen geproduceerd op speciale rondbreimachines.

Foto: Woolmark.com

In het onderzoek van CE Delft wordt enkel gekeken naar de milieu-impact van de doekproductie. Maar hoe belangrijk is de impact van de doekproductie in de gehele levenscyclus van een kledingstuk?
Ook daarover zijn er verschillende opvattingen. MC houdt het op 60-70%.  Dat zou betekenen dat 30-40% van de milieu-impact plaatsheeft tijdens de gebruiksfase en de ‘end of life’ fase van een kledingstuk.

In een LCA die het Franse onderzoeksbureau Bio Intelligence Service (onderdeel van Deloitte) maakte van een linnen shirt, werd de impact van doekproductie daarentegen geschat op iets meer dan 20 procent. Bijna 80 procent van de milieu-impact wordt volgens dit onderzoek gegenereerd tijdens de ‘gebruiksfase’ van het shirt zelf, meer in het bijzonder door wassen en strijken.

Misschien is ook daar best iets op af te dingen, maar het onderstreept wel dat doekproductie maar een deel van het verhaal is: doek is geen kleding.

Kleding van wol

Overigens zou wol juist in die gebruiksfase, dus als kledingstuk wel eens heel goed kunnen scoren.

– wol is een ‘zelfreinigend’ materiaal. Kleding van wol hoeft minder vaak gewassen te worden dan katoen of kleding van synthetische materialen. Regelmatig luchten is vaak voldoende om een wollen kledingstuk weer fris te krijgen. Denk daarbij met name aan artikelen die we nadrukkelijk met wol associëren: truien, vesten e.d.

– als het nodig is om wollen artikelen te wassen, gebeurt dit op een lage temperatuur

– wollen kledingstukken hoeven doorgaans niet gestreken te worden.

Volgens Bio Intelligence Service zijn wassen en strijken juist twee processen die een LCA een bepaalde richting kunnen opsturen.

Tot slot: de duurzaamheid van kleding wordt niet alleen bepaald door het productieproces en de gebruiksfase maar ook door de ‘end of life’ fase. Dat wordt door CE Delft niet onderzocht, en ‘dus’ ook door Milieu Centraal niet meegerekend in zijn advies aan de consument. Echter: ook daar scoort de natuurvezel wol ongetwijfeld hoger dan bijvoorbeeld synthetische vezels.

 

Wat moet je hier nou mee als consument? Als we bellen met de projectleider van Milieu Centraal en haar onze punten voorleggen, komt er verrassend weinig weerwoord. “Maar we zeggen ook niet dat je geen kleding van wol moet kopen. Ons belangrijkste advies is eigenlijk dat mensen langer met hun kleding moeten proberen te doen. We zijn vooral kritisch op het modecircus dat zo vaak met nieuwe collecties komt.”

Kijk, daar zijn we het nou helemaal mee eens.